Onderzoek APE naar de achtergronden van de ontwikkeling van het provinciale EMU-saldo

In 1993 is het stabiliteits- en groeipact in werking getreden dat het Nederlands begrotingsbeleid bindt aan Europese normen. Die normen gelden ook voor decentrale overheden. De gezamenlijke verantwoordelijkheid van Rijk en decentrale overheden voor de naleving van deze EMU-normen is neergelegd in de Wet Houdbare Overheidsfinanciën (Wet Hof). Bij het overleg over de financiële ruimte 2013-2017 hebben de decentrale overheden ingezet op een EMU-ruimte van - 0,5% om hun investeringsplannen te kunnen uitvoeren. Deze ruimte bleken de provincies in 2016 bij lange na niet te hebben benut en er was sprake van een onverwacht positief EMU-saldo 2016.

Met het oog op de inzet voor de besprekingen met het kabinet over de financiŽle ruimte 2019-2021 heeft het IPO aan APE gevraagd onderzoek te doen naar de achterliggende oorzaken voor het onverwacht positieve EMU-saldo 2016 en de doorwerking naar de benodigde ruimte in de komende jaren.

Uit ons onderzoek komt naar voren dat de realisatiecijfers van het provinciale EMU-saldo in de periode van 2010-2016 jaarlijks beduidend beter zijn dan de ramingen. Opvallend en uniek is echter de hoge positieve waarde van het gerealiseerde EMU-saldo voor 2016. Uit ons onderzoek blijkt dat de oorzaak hiervan voor een belangrijk deel moet worden gezocht in de overheveling van de BDU Verkeer en Vervoer naar het provinciefonds. Door deze decentralisatie was er in 2016 sprake van een niet-EMU-neutraal boekingsverschil die ook doorwerkt in de realisatiecijfers voor 2017 en 2018, maar daarna zal verdwijnen.

Om een schatting te kunnen maken van de benodigde ruimte die de provincies nodig hebben, hebben we de structurele en incidentele effecten van de overheveling van de BDU geabstraheerd. Op basis van de realisatiecijfers van 2010-2015 en de voor 2016 gecorrigeerde realisatiecijfers hebben we vervolgens een schatting gemaakt voor de ruimte die de provincies nodig hebben. Deze bandbreedte is door de provincies als uitgangspunt meegenomen in de besprekingen over de financiŽle ruimte 2019-2012. In het bestuurlijk overleg tussen de decentrale overheden en de ministers van BZK en FinanciŽn is besloten de financiŽle ruimte te houden op -0,4% voor decentrale overheden.