Verkenning financiële heffing op rechterlijk toezicht bij beschermingsmaatregelen

Voor het WODC, in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid, heeft APE de mogelijkheid van een financiële heffing op het rechterlijk toezicht op curatele, beschermingsbewind en mentorschap onderzocht. In de justitiebegroting van 2017 is opgenomen dat deze mogelijkheid onderzocht zou worden, in het kader van een bezuinigingstaakstelling voor de gehele strafrechtketen. De verkenning richt zich op het huidige stelsel van toezicht binnen de gerechten, de eventuele vormgeving en uitvoering van een heffing daarbinnen en de mogelijke gevolgen daarvan voor de betrokken partijen.

Meerderjarige personen die niet (langer) in staat zijn de eigen belangen adequaat te behartigen, kunnen een beschermingsmaatregel aanvragen. Deze wordt ingesteld door de rechter, die vervolgens ook toezicht houdt op de benoemde uitvoerder van de maatregel. De drie beschermingsmaatregelen curatele, beschermingsbewind en mentorschap zien respectievelijk toe op de volledige beslissingsbevoegdheid, het financieel bewind of beslissingen omtrent zorg en welzijn van de betrokkene. Het aantal personen met een beschermingsmaatregel stijgt, met name door een toename in het aantal personen dat onder beschermingsbewind wordt gesteld. Daarnaast heeft de rechterlijke macht aangegeven dat zij een verbetering in de kwaliteit van het toezicht noodzakelijk acht. Hiervoor is vooralsnog geen financiering beschikbaar gesteld. Door deze en enkele andere ontwikkelingen, kan het systeem van rechterlijk toezicht op de uitvoering van deze maatregelen onder druk komen te staan.

Tegen deze achtergrond is de mogelijkheid onderzocht van een financiŽle bijdrage door de betrokkenen met een beschermingsmaatregel aan het stelsel van rechterlijk toezicht. De verkenning brengt eerst het huidige stelsel van toezicht, zoals ingericht bij de gerechten, in kaart. Daarna worden enkele scenarioís van een financiŽle heffing verkend. Daarbij wordt gekeken naar de hoogte van de heffing en inningsmogelijkheden. Tevens zijn door middel van interviews met belangenpartijen de mogelijke gevolgen van een heffing verkend.

Uit dit verkennend onderzoek blijkt dat een financiŽle heffing niet bijdraagt aan de betaalbaarheid en kwaliteit van het toezichtsstelsel, omdat de beoogde opbrengst niet ten goede komt aan het rechterlijk toezicht op uitvoering van beschermingsmaatregelen. De heffing zal alleen een potentiŽle bijdrage leveren wanneer de opbrengsten ook specifiek aangewend worden voor het rechterlijk toezicht. De keerzijde van de medaille is dat de betaalbaarheid van het stelsel op individueel niveau in negatieve zin zal worden beÔnvloed wanneer de kwaliteitsverhoging in het toezicht wordt bekostigd uit een heffing die moet worden opgebracht door betrokkenen die voor het grootste deel tot de groep min- of onvermogenden behoren. Een deel van de extra kosten die volgen uit een heffing zal voor rekening zijn van gemeenten. Gemeenten betalen voor een groot deel van de onderbewindgestelden (zoín 60%) reeds de kosten voor de bewindvoerder, omdat de betrokkene deze niet zelf kan betalen. De kosten van de heffing zal wat deze mensen betreft dan ook voor rekening van de gemeente zijn.

Het volledige rapport, een Nederlandse en Engelse samenvatting zijn hier terug te lezen.